Het is de week van de meivakantie waarin iedereen vrij is.
De oudste dochter is samen met mama naar Malta gevlogen. Een reis die al maanden in de wachtkamer zat, tussen ziekenhuisopnames en uitgestelde plannen. Maar nu zijn ze weg. Echt weg. Zon, zee, samen.
Wij blijven achter. En dat is te zien.
Er hangt iets in huis. Geen stilte of rust. Eerder een soort elektriciteit. Drie kinderen met een glimp in hun ogen. Alsof ze voelen dat het speelveld anders ligt.
‘Pap, mogen we voor de tv eten?’
‘Waarom eigenlijk niet?’ zegt een ander al, voordat ik kan antwoorden.
‘Zij gaan daar ook elke avond uit eten hè,’ vult de derde aan. ‘Dat is gewoon eerlijk.’
Ik kijk ze aan. Drie paar ogen. Drie advocaten zonder toga.
‘Dit is geen Malta,’ zeg ik.
‘Precies,’ zegt de oudste zoon, ‘dus dan mag het juist.’
Daar zit een logica in waar geen vader tegenop kan.
Buiten is het droog. De polder ligt erbij alsof iemand de stekker eruit heeft getrokken. Poelen zijn gereduceerd tot opgedroogde herinneringen. Een paar lepelaars lopen rond alsof ze in het verkeerde decor zijn beland. De eenden lijken mij verwijtend aan te kijken. Alsof ik dit gedaan heb.
Thuis escaleert het ook, maar dan anders. We eten tortilla’s of patat. Of Turkse pizza’s. Want daar stop je komkommer en paprika of sla in en dan is het een gezonde groentemaaltijd. Dus dat telt.
Als het kon zouden ze de hele dag in een scherm verdwijnen.
‘Er is een Star Wars live event in Fortnite, mogen we nog een uurtje? Of twee?’
En nee, dat mag niet. Dus moeten ze wat anders bedenken. Ze spelen Risk, Monopoly. Urenlang. Totdat de jongste zoon op Vrij Parkeren landt en een vermogen op zijn stapels bijschuift.
De oudste zoon gooit de dobbelstenen alsof hij het lot persoonlijk ter verantwoording roept.
‘Dit spel is gewoon tegen mij.’
En voordat ik wat kan zeggen, roept hij al vertwijfeld ‘en ja, ik weet dat het zo is bedoeld en dat kapitalisme een failliet systeem is, maar ik wil ook gewoon een keertje Kalverstraat.’
Bedtijd bestaat alleen nog in theorie. Er is morgen toch geen school.
‘Serieus, het is nu echt bedtijd.’
Ze kijken me aan. Eerst één. Dan twee. Dan drie. Lachen. Oncontroleerbaar. Alsof ik de beste grap van de avond heb gemaakt.
‘Pap, je bent echt schattig als je streng doet.’
Er zijn van die momenten waarop je kunt doorduwen. Regels neerzetten. Structuur afdwingen. En er zijn momenten waarop je voelt: dit is tijdelijk. Dit is een soort tussenweek. Een kleine anarchie die zichzelf wel weer oplost.
Dus ik lach maar mee.
Geen ritme, geen schema, geen grip.
‘Wat gaan we eigenlijk doen morgen?’ vraagt de jongste.
‘Geen idee,’ zeg ik.
‘Oké,’ zegt ze. Alsof dat het juiste antwoord is.
