De jongste dochter maakt een radslag, tussen een stapel schoolboeken en een tas die nog uitgepakt moet worden. Vier maanden liep ze op krukken, maar nu landt ze weer op twee voeten. Met een brace, dat wel. Maar ze draait. Een radslag gaat naadloos over in een dansje voor de eindmusical.
Aan de andere kant van de tafel wordt door broers geleerd. Toetsweek. Samenvattingen, markeerstiften, lichte paniek. Er wordt gerekend, herhaald, gezucht. Het huis doet wat het altijd doet: alles tegelijk.
En net als er iets van ritme ontstaat, is er een telefoontje. Een bericht. Dan valt er een stilte.
Ze hadden de leeftijd, zeggen mensen dan. Kennelijk ligt er ergens een grens waarboven het gemis minder zwaar weegt.
Het is vreemd hoe snel tijd zich dubbelvouwt. Ooit kwamen ooms en tantes oppassen. Twee baby’s, flesjes, weinig slaap. En nu staan diezelfde kinderen, langer dan toen iemand had kunnen bedenken, naast je op een uitvaart. Je knikt naar familie die je jaren niet hebt gezien. Je weet: we gaan elkaar vaker zien.
Wat worden ze groot. Wat gaat het snel.
En dat is waar. Maar wat niemand zegt, en wat je zelf ineens ziet, is iets anders. Hoe ze kijken en vragen stellen waar geen echt antwoord op is. Tussen ongemak en verdriet vinden ze hun eigen manier om hiermee om te gaan.
Trouwens, een uitvaart is niet alleen verdriet. Er wordt gelachen om herinneringen. Verhalen die blijven hangen. Die keer dat er een muis achter de kachel lag. Die grap die hij maar bleef herhalen. Een leven kun je niet samenvatten, maar wel vangen in flarden.
De dochter van veertien probeert haar hoofd eromheen te krijgen dat dit dezelfde wereld is als gisteren. Dat er niets zichtbaar veranderd is. De straat ligt er nog. De agenda loopt door. Er moet gewoon gegeten worden. En toch is er iets fundamenteels verschoven. Het hoofd krijgt er geen grip op.
Verdriet komt in golven. Soms op het moment dat je het verwacht, soms juist niet. Aan de keukentafel. In de auto. Naast je begint iemand ineens te huilen en je merkt dat je zelf al halverwege was.
Thuis gaat het ondertussen gewoon door.
De was. De afwas. Berichten die nog beantwoord moeten worden. Optredens die doorgaan. Ik roep naar boven dat de jongste haar kamer moet opruimen omdat er geen vloer meer te zien is. “Ik vind rommel juist gezellig,” roept ze terug.
Ik laat het maar. Er moeten teksten geschreven worden. Over een paar weken ligt er een bundel die gepresenteerd gaat worden. Aan de burgemeester nog wel. Het leven wacht niet tot alles netjes verwerkt is.
Het zit hem ook in de rommel, in het gelijktijdige. In een radslag tussen het leren door. In een huis dat nooit helemaal stil is, ook niet als het stil zou mogen zijn.
Het klopt niet. Maar het gaat wel door.

Aan de ene kant staat de tijd een beetje stil, moet er weer een ritme gevonden worden, moet het verdriet zijn weg vinden en het gemis nog een plek krijgen.
Aan de andere kant gaat alles ook gewoon door alsof er niets gebeurd is, moet er gewoon gegeten, geslapen en gezorgd worden en mag er ook gelachen en plezier gemaakt worden.
Het bestaat naast elkaar en wordt op enig moment door een ieder in het leven ervaren.
🦚❤️🦚