De eerste zaterdag na de kerstvakantie was het na twee weken Hallmark films, legpuzzels en teveel Battle Royale tijd voor culturele verheffing. Dat dit samenviel met de dag waarop de gevoelstemperatuur in Amsterdam de -10 aantikte, was een detail dat we in ons enthousiasme even over het hoofd zagen.
Terwijl de rest van Nederland met een dekentje op de bank zat, bevonden wij ons op een bevroren Museumplein. De jongste dochter wilde al langer De Nachtwacht eens in het echt zien, maar voor de drie pubers kon een dosis cultuur ook geen kwaad tussen alle populaire memes en “Youtube Shorts-shit” die ze dagelijks consumeren. Het werd een logistieke operatie die niet onderdeed voor pakweg een gemiddelde militaire invasie in een Zuid Amerikaanse oliestaat.
Het begon al bij de oversteek van de parkeergarage naar het Rijksmuseum. Het plein was veranderd in een gigantische ijsbaan. Nu is dat voor een gezonde tiener al een uitdaging, maar onze dochter van elf loopt deze dagen op krukken. We kwamen voor de musea, maar trokken zelf buiten al bekijks met een kind dat op krukken probeerde te schaatsen. Natuurlijk maakten we nog snel een selfie, handen verkrampt van de kou, het Rijksmuseum op de achtergrond.
Terwijl wij glibberend probeerden overeind te blijven, bleken die krukken een onverwachte lifehack te zijn. Vergeet de ellenlange rijen voor de ingang en de strenge tijdsloten van een half uur waarbij je met samengeknepen billen naar de klok kijkt. Zodra het personeel die krukken zag, werd het VIP-protocol geactiveerd en gingen alle deuren open. Voor ons geen rij of vervelende draaideur. Oh, en gebruik gerust de lift.
Het herstel duurt nog even, maar ook daarna overweeg ik die dingen vaker mee te nemen als we ergens niet willen wachten.
Binnen warmden we gelukkig snel op, al steeg de temperatuur bij de suppoosten ook naar een kookpunt door toedoen van de puber van vijftien. Die vond het namelijk nodig om de effectiviteit van de beveiligingssystemen te testen.
‘Zou dit een bewegingssensor zijn of een laser?’ vroeg hij zich af, terwijl hij zijn vinger gevaarlijk dichtbij een serieus uitziende sensor hield.
‘Niet doen,’ siste zijn moeder.
‘Mam. Ik kijk alleen of ze opletten.’
Nou, ze letten op. Laten we zeggen dat de suppoosten in het Rijksmuseum een uitstekend getraind oog hebben, maar een eclatant gebrek aan gevoel voor humor zodra een tiener de ‘heilige lijn’ nadert.
Later in het Van Gogh Museum kwamen de meningen los.
‘Wat een sippe toestand, die aardappeleters.’
‘Ja en die zonnebloemen zijn ze ook vergeten water te geven.’
De zoon van vijftien vroeg zich af waarom al die mensen door hun telefoon naar de schilderijen keken.
‘Kijk dan,’ wees zijn zusje behulpzaam, ‘daar staat er weer een. Een selfie met een schilderij. Waarom?’
Daar waren ze het allemaal mee eens. De kritiek op de ‘selfie-cultuur’ was hard en meedogenloos. Totdat we even later bij een werk stonden van Isaac Israëls. Daar zagen we een schilderij van Vincents schoonzus die voor de zonnebloemen stond.

‘Wacht eens even…,’ merkte de jongste zoon op. ‘Zij doet letterlijk hetzelfde. Ze poseert gewoon bij een Van Gogh!’
Dus. De selfie-cultuur is niets nieuws. Zij stond daar al in 1918 te poseren alsof ze haar Instagram-feed voor die maand moest vullen.
De krukken staan inmiddels weer in de gang, klaar voor de volgende keer dat we ergens de wachtrij willen skippen.
