Langs het pad door de polder zwoegt een zwetende vrouw tussen schapen en sloten door een deken van dauw stoom stijgt op uit stapels van het pas gerooide riet en vermengt zich met het water en haar tranen van verdriet Langzaam voelt ze zich omsloten door een dikke natte mist opgestegen uit de sloten die borrelt, druppelt, sijpelt, slist ze probeert nog weg te komen maar ze kan geen kant meer uit ze begint al te verstomen door haar oudevrouwtjeshuid langzaam lost ze op als suiker in de thee een troebel beeld blijft even hangen maar vervliegt dan mee Ze druppelt weg uit het bestaan wordt van de wereld weggewist morgen zal er in de krant staan dat ze is vermist
